honen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of honen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: honen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: honend
Past participle - Verleden deelwoord: gehoond

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoon
jijhoont
hijhoont
wijhonen
julliehonen
zijhonen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehoond
jijhebt gehoond
hijheeft gehoond
wijhebben gehoond
julliehebben gehoond
zijhebben gehoond

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhoonde
jijhoonde
hijhoonde
wijhoonden
julliehoonden
zijhoonden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehoond
jijhad gehoond
hijhad gehoond
wijhadden gehoond
julliehadden gehoond
zijhadden gehoond

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal honen
jijzult honen
hijzal honen
wijzullen honen
julliezullen honen
zijzullen honen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehoond hebben
jijzult gehoond hebben
hijzal gehoond hebben
wijzullen gehoond hebben
julliezullen gehoond hebben
zijzullen gehoond hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou honen
jijzou honen
hijzou honen
wijzouden honen
julliezouden honen
zijzouden honen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehoond hebben
jijzou gehoond hebben
hijzou gehoond hebben
wijzouden gehoond hebben
julliezouden gehoond hebben
zijzouden gehoond hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoon

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

beledigen
bespotten, smaden

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch hônen, from Old Dutch *hōnen, from Proto-West Germanic *haunijan, from Proto-Germanic *haunijaną. See: Proto-Germanic '*haunijaną'.

Additional Information