dogen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dogen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dogen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dogend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoogd

Cognates

See the 2 cognates of dogen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoog
jijdoogt
hijdoogt
wijdogen
julliedogen
zijdogen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoogd
jijhebt gedoogd
hijheeft gedoogd
wijhebben gedoogd
julliehebben gedoogd
zijhebben gedoogd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoogde
jijdoogde
hijdoogde
wijdoogden
julliedoogden
zijdoogden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoogd
jijhad gedoogd
hijhad gedoogd
wijhadden gedoogd
julliehadden gedoogd
zijhadden gedoogd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dogen
jijzult dogen
hijzal dogen
wijzullen dogen
julliezullen dogen
zijzullen dogen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoogd hebben
jijzult gedoogd hebben
hijzal gedoogd hebben
wijzullen gedoogd hebben
julliezullen gedoogd hebben
zijzullen gedoogd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dogen
jijzou dogen
hijzou dogen
wijzouden dogen
julliezouden dogen
zijzouden dogen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoogd hebben
jijzou gedoogd hebben
hijzou gedoogd hebben
wijzouden gedoogd hebben
julliezouden gedoogd hebben
zijzouden gedoogd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoog

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch dogen, from Old Dutch *dōgen, from Proto-West Germanic *daugijan, from Proto-Germanic *daugijaną. See: Proto-Germanic '*daugijaną'.

Verbs referencing "dogen"

Danish dy.

Additional Information