hechten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hechten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hechten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hechtend
Past participle - Verleden deelwoord: gehecht

Cognates

See the 4 cognates of hechten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhecht
jijhecht
hijhecht
wijhechten
julliehechten
zijhechten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehecht
jijhebt gehecht
hijheeft gehecht
wijhebben gehecht
julliehebben gehecht
zijhebben gehecht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhechtte
jijhechtte
hijhechtte
wijhechtten
julliehechtten
zijhechtten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehecht
jijhad gehecht
hijhad gehecht
wijhadden gehecht
julliehadden gehecht
zijhadden gehecht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hechten
jijzult hechten
hijzal hechten
wijzullen hechten
julliezullen hechten
zijzullen hechten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehecht hebben
jijzult gehecht hebben
hijzal gehecht hebben
wijzullen gehecht hebben
julliezullen gehecht hebben
zijzullen gehecht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hechten
jijzou hechten
hijzou hechten
wijzouden hechten
julliezouden hechten
zijzouden hechten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehecht hebben
jijzou gehecht hebben
hijzou gehecht hebben
wijzouden gehecht hebben
julliezouden gehecht hebben
zijzouden gehecht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhecht

Translations

  • concern, to be of importance to
  • append, to hang or attach to, as by a string
  • suture, to sew up or join by means of a suture
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    vastmaken
    verbinden
    houden
    kleven, vastplakken
    binden
    losmaken

    Antonyms

    vastmaken
    losmaken

    Sample Sentences

    • Ik nam dit aan, en hechtte mij naauw aan den kapitein, die een eerlijk en rondborstig man was. Ik deed de reis met hem, en nam eenige goederen op avontuur mede; want ik besteedde ongeveer 40 [ £ ] Sterl. aan zoodanige [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand nimmer verliet. (Robinson Crusoe)
    • [...] binnen moest openvallen. Mijne wapens had ik des nachts ook altijd naast mij liggen. Al deze voorzorgen waren echter overbodig, niemand had ooit een dienaar, die trouwer, opregter en meer aan hem gehecht was dan Vrijdag aan mij; hij was zonder arglist, en beminde mij als een kind zijn vader, en ik durf zeggen, dat hij altijd zijn leven voor het mijne zou gegeven hebben. De veelvuldige blijken, die [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch hechten, from Old Dutch heften, from Proto-West Germanic *haftijan, from Proto-Germanic *haftijaną. See: Middle Dutch 'hechten', Proto-Germanic '*haftijaną'.

    Verbs referencing "hechten"

    Swedish häfta.

    Additional Information