Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: hechten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hechtend
Past participle - Verleden deelwoord: gehecht
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | hecht |
| jij | hecht |
| hij | hecht |
| wij | hechten |
| jullie | hechten |
| zij | hechten |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gehecht |
| jij | hebt gehecht |
| hij | heeft gehecht |
| wij | hebben gehecht |
| jullie | hebben gehecht |
| zij | hebben gehecht |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | hechtte |
| jij | hechtte |
| hij | hechtte |
| wij | hechtten |
| jullie | hechtten |
| zij | hechtten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gehecht |
| jij | had gehecht |
| hij | had gehecht |
| wij | hadden gehecht |
| jullie | hadden gehecht |
| zij | hadden gehecht |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal hechten |
| jij | zult hechten |
| hij | zal hechten |
| wij | zullen hechten |
| jullie | zullen hechten |
| zij | zullen hechten |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gehecht hebben |
| jij | zult gehecht hebben |
| hij | zal gehecht hebben |
| wij | zullen gehecht hebben |
| jullie | zullen gehecht hebben |
| zij | zullen gehecht hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou hechten |
| jij | zou hechten |
| hij | zou hechten |
| wij | zouden hechten |
| jullie | zouden hechten |
| zij | zouden hechten |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gehecht hebben |
| jij | zou gehecht hebben |
| hij | zou gehecht hebben |
| wij | zouden gehecht hebben |
| jullie | zouden gehecht hebben |
| zij | zouden gehecht hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'hechten'
aankorsten,
aanristen,
aanroesten,
aantasten,
achten,
afkwasten,
afmesten,
afristen,
aftasten,
afwachten,
begroeten,
belasten,
bemesten,
berichten,
berusten,
betasten,
betwisten,
boeten,
feesten,
fusten, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'hechten'
vechten,
achten,
heten,
lichten,
luchten,
pachten,
richten,
vlechten,
wachten,
zuchten,
Translations
concern, to be of importance to
append, to hang or attach to, as by a string
suture, to sew up or join by means of a suture
Sample Sentences
-
Ik nam dit aan, en hechtte mij naauw aan den kapitein, die een eerlijk en rondborstig man was. Ik deed de reis met hem, en nam eenige goederen op avontuur mede; want ik besteedde ongeveer 40 [ £ ] Sterl. aan zoodanige [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand nimmer verliet.
(Robinson Crusoe)
-
[...] binnen moest openvallen. Mijne wapens had ik des nachts ook altijd naast mij liggen. Al deze voorzorgen waren echter overbodig, niemand had ooit een dienaar, die trouwer, opregter en meer aan hem gehecht was dan Vrijdag aan mij; hij was zonder arglist, en beminde mij als een kind zijn vader, en ik durf zeggen, dat hij altijd zijn leven voor het mijne zou gegeven hebben. De veelvuldige blijken, die [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch hechten, from Old Dutch heften, from Proto-West Germanic *haftijan, from Proto-Germanic *haftijaną. See: Middle Dutch '
hechten', Proto-Germanic '
*haftijaną'.
Verbs referencing "hechten"
Swedish
häfta.
Additional Information