gisten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gisten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gisten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gistend
Past participle - Verleden deelwoord: gegist

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgist
jijgist
hijgist
wijgisten
julliegisten
zijgisten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegist
jijhebt gegist
hijheeft gegist
wijhebben gegist
julliehebben gegist
zijhebben gegist

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgistte
jijgistte
hijgistte
wijgistten
julliegistten
zijgistten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegist
jijhad gegist
hijhad gegist
wijhadden gegist
julliehadden gegist
zijhadden gegist

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gisten
jijzult gisten
hijzal gisten
wijzullen gisten
julliezullen gisten
zijzullen gisten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegist hebben
jijzult gegist hebben
hijzal gegist hebben
wijzullen gegist hebben
julliezullen gegist hebben
zijzullen gegist hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gisten
jijzou gisten
hijzou gisten
wijzouden gisten
julliezouden gisten
zijzouden gisten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegist hebben
jijzou gegist hebben
hijzou gegist hebben
wijzouden gegist hebben
julliezouden gegist hebben
zijzouden gegist hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgist

Verbs similar to 'gisten'

gieten, kisten, bijten, eisen, fitten, fusten, gieren, gillen, kosten, kwisten,

Translations

  • ferment, to react using fermentation
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Formed as gist (“yeast”) + -en.

    Additional Information