fusten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fusten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fusten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fustend
Past participle - Verleden deelwoord: gefust

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfust
jijfust
hijfust
wijfusten
julliefusten
zijfusten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefust
jijhebt gefust
hijheeft gefust
wijhebben gefust
julliehebben gefust
zijhebben gefust

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfustte
jijfustte
hijfustte
wijfustten
julliefustten
zijfustten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefust
jijhad gefust
hijhad gefust
wijhadden gefust
julliehadden gefust
zijhadden gefust

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fusten
jijzult fusten
hijzal fusten
wijzullen fusten
julliezullen fusten
zijzullen fusten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefust hebben
jijzult gefust hebben
hijzal gefust hebben
wijzullen gefust hebben
julliezullen gefust hebben
zijzullen gefust hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fusten
jijzou fusten
hijzou fusten
wijzouden fusten
julliezouden fusten
zijzouden fusten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefust hebben
jijzou gefust hebben
hijzou gefust hebben
wijzouden gefust hebben
julliezouden gefust hebben
zijzouden gefust hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfust

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information