fixeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fixeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fixeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fixerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefixeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfixeer
jijfixeert
hijfixeert
wijfixeren
julliefixeren
zijfixeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefixeerd
jijhebt gefixeerd
hijheeft gefixeerd
wijhebben gefixeerd
julliehebben gefixeerd
zijhebben gefixeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfixeerde
jijfixeerde
hijfixeerde
wijfixeerden
julliefixeerden
zijfixeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefixeerd
jijhad gefixeerd
hijhad gefixeerd
wijhadden gefixeerd
julliehadden gefixeerd
zijhadden gefixeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fixeren
jijzult fixeren
hijzal fixeren
wijzullen fixeren
julliezullen fixeren
zijzullen fixeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefixeerd hebben
jijzult gefixeerd hebben
hijzal gefixeerd hebben
wijzullen gefixeerd hebben
julliezullen gefixeerd hebben
zijzullen gefixeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fixeren
jijzou fixeren
hijzou fixeren
wijzouden fixeren
julliezouden fixeren
zijzouden fixeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefixeerd hebben
jijzou gefixeerd hebben
hijzou gefixeerd hebben
wijzouden gefixeerd hebben
julliezouden gefixeerd hebben
zijzouden gefixeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfixeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

vastmaken
losmaken
bepalen
vastleggen, vaststellen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch fixeren, borrowed from Middle French fixer, from Old French *fixer, from fixe (“fastened; fixed”), from Latin fīxus (“immovable; steady; stable; fixed”), from fīgere (“to drive in; stick; fasten”), from Proto-Indo-European *dʰeygʷ- (“to jab; stick; set”). Doublet of fixen and fiksen. See: Middle French 'fixer'.

Additional Information