friseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of friseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: friseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: friserend
Past participle - Verleden deelwoord: gefriseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfriseer
jijfriseert
hijfriseert
wijfriseren
julliefriseren
zijfriseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefriseerd
jijhebt gefriseerd
hijheeft gefriseerd
wijhebben gefriseerd
julliehebben gefriseerd
zijhebben gefriseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfriseerde
jijfriseerde
hijfriseerde
wijfriseerden
julliefriseerden
zijfriseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefriseerd
jijhad gefriseerd
hijhad gefriseerd
wijhadden gefriseerd
julliehadden gefriseerd
zijhadden gefriseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal friseren
jijzult friseren
hijzal friseren
wijzullen friseren
julliezullen friseren
zijzullen friseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefriseerd hebben
jijzult gefriseerd hebben
hijzal gefriseerd hebben
wijzullen gefriseerd hebben
julliezullen gefriseerd hebben
zijzullen gefriseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou friseren
jijzou friseren
hijzou friseren
wijzouden friseren
julliezouden friseren
zijzouden friseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefriseerd hebben
jijzou gefriseerd hebben
hijzou gefriseerd hebben
wijzouden gefriseerd hebben
julliezouden gefriseerd hebben
zijzouden gefriseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfriseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "friseren"

German, old spelling frisieren.

Additional Information