abuseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of abuseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: abuseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: abuserend
Past participle - Verleden deelwoord: geabuseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikabuseer
jijabuseert
hijabuseert
wijabuseren
jullieabuseren
zijabuseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geabuseerd
jijhebt geabuseerd
hijheeft geabuseerd
wijhebben geabuseerd
julliehebben geabuseerd
zijhebben geabuseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikabuseerde
jijabuseerde
hijabuseerde
wijabuseerden
jullieabuseerden
zijabuseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geabuseerd
jijhad geabuseerd
hijhad geabuseerd
wijhadden geabuseerd
julliehadden geabuseerd
zijhadden geabuseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal abuseren
jijzult abuseren
hijzal abuseren
wijzullen abuseren
julliezullen abuseren
zijzullen abuseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geabuseerd hebben
jijzult geabuseerd hebben
hijzal geabuseerd hebben
wijzullen geabuseerd hebben
julliezullen geabuseerd hebben
zijzullen geabuseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou abuseren
jijzou abuseren
hijzou abuseren
wijzouden abuseren
julliezouden abuseren
zijzouden abuseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geabuseerd hebben
jijzou geabuseerd hebben
hijzou geabuseerd hebben
wijzouden geabuseerd hebben
julliezouden geabuseerd hebben
zijzouden geabuseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijabuseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information