epateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of epateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: epateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: epaterend
Past participle - Verleden deelwoord: geëpateerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikepateer
jijepateert
hijepateert
wijepateren
jullieepateren
zijepateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëpateerd
jijhebt geëpateerd
hijheeft geëpateerd
wijhebben geëpateerd
julliehebben geëpateerd
zijhebben geëpateerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikepateerde
jijepateerde
hijepateerde
wijepateerden
jullieepateerden
zijepateerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëpateerd
jijhad geëpateerd
hijhad geëpateerd
wijhadden geëpateerd
julliehadden geëpateerd
zijhadden geëpateerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal epateren
jijzult epateren
hijzal epateren
wijzullen epateren
julliezullen epateren
zijzullen epateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëpateerd hebben
jijzult geëpateerd hebben
hijzal geëpateerd hebben
wijzullen geëpateerd hebben
julliezullen geëpateerd hebben
zijzullen geëpateerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou epateren
jijzou epateren
hijzou epateren
wijzouden epateren
julliezouden epateren
zijzouden epateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëpateerd hebben
jijzou geëpateerd hebben
hijzou geëpateerd hebben
wijzouden geëpateerd hebben
julliezouden geëpateerd hebben
zijzouden geëpateerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijepateer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French épater. See: French 'épater'.

Additional Information