doceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: docerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoceer
jijdoceert
hijdoceert
wijdoceren
julliedoceren
zijdoceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoceerd
jijhebt gedoceerd
hijheeft gedoceerd
wijhebben gedoceerd
julliehebben gedoceerd
zijhebben gedoceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoceerde
jijdoceerde
hijdoceerde
wijdoceerden
julliedoceerden
zijdoceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoceerd
jijhad gedoceerd
hijhad gedoceerd
wijhadden gedoceerd
julliehadden gedoceerd
zijhadden gedoceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doceren
jijzult doceren
hijzal doceren
wijzullen doceren
julliezullen doceren
zijzullen doceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoceerd hebben
jijzult gedoceerd hebben
hijzal gedoceerd hebben
wijzullen gedoceerd hebben
julliezullen gedoceerd hebben
zijzullen gedoceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doceren
jijzou doceren
hijzou doceren
wijzouden doceren
julliezouden doceren
zijzouden doceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoceerd hebben
jijzou gedoceerd hebben
hijzou gedoceerd hebben
wijzouden gedoceerd hebben
julliezouden gedoceerd hebben
zijzouden gedoceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

instrueren
leren, oefenen, onderrichten, onderwijzen
onderrichten
instrueren, leren, onderwijzen

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin doceō. See: Latin 'doceō'.

Additional Information