Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: dalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dalend
Past participle - Verleden deelwoord: gedaald
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | daal |
| jij | daalt |
| hij | daalt |
| wij | dalen |
| jullie | dalen |
| zij | dalen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | ben gedaald |
| jij | bent gedaald |
| hij | is gedaald |
| wij | zijn gedaald |
| jullie | zijn gedaald |
| zij | zijn gedaald |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | daalde |
| jij | daalde |
| hij | daalde |
| wij | daalden |
| jullie | daalden |
| zij | daalden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | was gedaald |
| jij | was gedaald |
| hij | was gedaald |
| wij | waren gedaald |
| jullie | waren gedaald |
| zij | waren gedaald |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal dalen |
| jij | zult dalen |
| hij | zal dalen |
| wij | zullen dalen |
| jullie | zullen dalen |
| zij | zullen dalen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gedaald zijn |
| jij | zult gedaald zijn |
| hij | zal gedaald zijn |
| wij | zullen gedaald zijn |
| jullie | zullen gedaald zijn |
| zij | zullen gedaald zijn |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou dalen |
| jij | zou dalen |
| hij | zou dalen |
| wij | zouden dalen |
| jullie | zouden dalen |
| zij | zouden dalen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gedaald zijn |
| jij | zou gedaald zijn |
| hij | zou gedaald zijn |
| wij | zouden gedaald zijn |
| jullie | zouden gedaald zijn |
| zij | zouden gedaald zijn |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'dalen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'dalen'
dalven,
delen,
dolen,
dwalen,
falen,
halen,
malen,
aaien,
adelen,
afdalen,
Translations
drop, to decrease, diminish, or lessen in condition, degree, value, etc.
subside, to fall downward; to become lower; to descend; to sink
Sample Sentences
-
Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo bloeijend, zoo groen, daar [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ontsproot, den anderen weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar een beplanten lusttuin geleek. Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige denkbeelden bij mij opwelden ) als ik bedacht, dat dit alles mijn eigendom [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch dālen, from Old Dutch *dalon. Equivalent to dal (“valley”) + -en. Derived in Old Dutch times, and apparently only shared with Low Saxon. The regular Germanic word is vallen, which has now acquired a more specific sense of “stumble” or “drop uncontrolledly”. See: Old Dutch '*dalon'.
Additional Information