dalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dalen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dalend
Past participle - Verleden deelwoord: gedaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdaal
jijdaalt
hijdaalt
wijdalen
julliedalen
zijdalen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben gedaald
jijbent gedaald
hijis gedaald
wijzijn gedaald
julliezijn gedaald
zijzijn gedaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdaalde
jijdaalde
hijdaalde
wijdaalden
julliedaalden
zijdaalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas gedaald
jijwas gedaald
hijwas gedaald
wijwaren gedaald
julliewaren gedaald
zijwaren gedaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dalen
jijzult dalen
hijzal dalen
wijzullen dalen
julliezullen dalen
zijzullen dalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedaald zijn
jijzult gedaald zijn
hijzal gedaald zijn
wijzullen gedaald zijn
julliezullen gedaald zijn
zijzullen gedaald zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dalen
jijzou dalen
hijzou dalen
wijzouden dalen
julliezouden dalen
zijzouden dalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedaald zijn
jijzou gedaald zijn
hijzou gedaald zijn
wijzouden gedaald zijn
julliezouden gedaald zijn
zijzouden gedaald zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijdaal

Translations

  • drop, to decrease, diminish, or lessen in condition, degree, value, etc.
  • subside, to fall downward; to become lower; to descend; to sink
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afdalen
    neerdalen, omlaaggaan, zakken, zinken

    Sample Sentences

    • Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo bloeijend, zoo groen, daar [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] ontsproot, den anderen weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar een beplanten lusttuin geleek. Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige denkbeelden bij mij opwelden ) als ik bedacht, dat dit alles mijn eigendom [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch dālen, from Old Dutch *dalon. Equivalent to dal (“valley”) + -en. Derived in Old Dutch times, and apparently only shared with Low Saxon. The regular Germanic word is vallen, which has now acquired a more specific sense of “stumble” or “drop uncontrolledly”. See: Old Dutch '*dalon'.

    Additional Information