controleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of controleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: controleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: controlerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecontroleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcontroleer
jijcontroleert
hijcontroleert
wijcontroleren
julliecontroleren
zijcontroleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecontroleerd
jijhebt gecontroleerd
hijheeft gecontroleerd
wijhebben gecontroleerd
julliehebben gecontroleerd
zijhebben gecontroleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcontroleerde
jijcontroleerde
hijcontroleerde
wijcontroleerden
julliecontroleerden
zijcontroleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecontroleerd
jijhad gecontroleerd
hijhad gecontroleerd
wijhadden gecontroleerd
julliehadden gecontroleerd
zijhadden gecontroleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal controleren
jijzult controleren
hijzal controleren
wijzullen controleren
julliezullen controleren
zijzullen controleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecontroleerd hebben
jijzult gecontroleerd hebben
hijzal gecontroleerd hebben
wijzullen gecontroleerd hebben
julliezullen gecontroleerd hebben
zijzullen gecontroleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou controleren
jijzou controleren
hijzou controleren
wijzouden controleren
julliezouden controleren
zijzouden controleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecontroleerd hebben
jijzou gecontroleerd hebben
hijzou gecontroleerd hebben
wijzouden gecontroleerd hebben
julliezouden gecontroleerd hebben
zijzouden gecontroleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcontroleer

Translations

  • card, to check IDs
  • check, to inspect, examine
  • check, to verify or compare with a source of information
  • control, to exercise influence over; to suggest or dictate the behavior of
  • master, to control
  • monitor, watch over, guard
  • oversee, to inspect, examine
  • vet, check or investigate particularly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    checken
    inspecteren, nagaan, nakijken, verifiëren

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French controler.

    Additional Information