confronteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of confronteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: confronteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: confronterend
Past participle - Verleden deelwoord: geconfronteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconfronteer
jijconfronteert
hijconfronteert
wijconfronteren
jullieconfronteren
zijconfronteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconfronteerd
jijhebt geconfronteerd
hijheeft geconfronteerd
wijhebben geconfronteerd
julliehebben geconfronteerd
zijhebben geconfronteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconfronteerde
jijconfronteerde
hijconfronteerde
wijconfronteerden
jullieconfronteerden
zijconfronteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconfronteerd
jijhad geconfronteerd
hijhad geconfronteerd
wijhadden geconfronteerd
julliehadden geconfronteerd
zijhadden geconfronteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal confronteren
jijzult confronteren
hijzal confronteren
wijzullen confronteren
julliezullen confronteren
zijzullen confronteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconfronteerd hebben
jijzult geconfronteerd hebben
hijzal geconfronteerd hebben
wijzullen geconfronteerd hebben
julliezullen geconfronteerd hebben
zijzullen geconfronteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou confronteren
jijzou confronteren
hijzou confronteren
wijzouden confronteren
julliezouden confronteren
zijzouden confronteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconfronteerd hebben
jijzou geconfronteerd hebben
hijzou geconfronteerd hebben
wijzouden geconfronteerd hebben
julliezouden geconfronteerd hebben
zijzouden geconfronteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconfronteer

Translations

  • confront, to stand or meet facing, especially in competition, hostility or defiance
  • confront, to deal with
  • confront, to bring someone face to face with something
  • confront, to come up against; to encounter
  • confront, to engage in confrontation
  • encounter, engage in conflict
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French confronter, from Middle French confronter, from Latin confrontō. In the current sense likely derived from or influenced by English confront. See: French 'confronter', Latin 'confrontō', English 'confront'.

    Additional Information