concurreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of concurreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: concurreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: concurrerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconcurreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconcurreer
jijconcurreert
hijconcurreert
wijconcurreren
jullieconcurreren
zijconcurreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconcurreerd
jijhebt geconcurreerd
hijheeft geconcurreerd
wijhebben geconcurreerd
julliehebben geconcurreerd
zijhebben geconcurreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconcurreerde
jijconcurreerde
hijconcurreerde
wijconcurreerden
jullieconcurreerden
zijconcurreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconcurreerd
jijhad geconcurreerd
hijhad geconcurreerd
wijhadden geconcurreerd
julliehadden geconcurreerd
zijhadden geconcurreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal concurreren
jijzult concurreren
hijzal concurreren
wijzullen concurreren
julliezullen concurreren
zijzullen concurreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconcurreerd hebben
jijzult geconcurreerd hebben
hijzal geconcurreerd hebben
wijzullen geconcurreerd hebben
julliezullen geconcurreerd hebben
zijzullen geconcurreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou concurreren
jijzou concurreren
hijzou concurreren
wijzouden concurreren
julliezouden concurreren
zijzouden concurreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconcurreerd hebben
jijzou geconcurreerd hebben
hijzou geconcurreerd hebben
wijzouden geconcurreerd hebben
julliezouden geconcurreerd hebben
zijzouden geconcurreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconcurreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

mededingen
strijden
rivaliseren
wedijveren

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin concurrō. See: Latin 'concurrō'.

Additional Information