boeten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of boeten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: boeten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: boetend
Past participle - Verleden deelwoord: geboet

Cognates

See the 3 cognates of boeten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboet
jijboet
hijboet
wijboeten
jullieboeten
zijboeten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboet
jijhebt geboet
hijheeft geboet
wijhebben geboet
julliehebben geboet
zijhebben geboet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboette
jijboette
hijboette
wijboetten
jullieboetten
zijboetten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboet
jijhad geboet
hijhad geboet
wijhadden geboet
julliehadden geboet
zijhadden geboet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal boeten
jijzult boeten
hijzal boeten
wijzullen boeten
julliezullen boeten
zijzullen boeten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboet hebben
jijzult geboet hebben
hijzal geboet hebben
wijzullen geboet hebben
julliezullen geboet hebben
zijzullen geboet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou boeten
jijzou boeten
hijzou boeten
wijzouden boeten
julliezouden boeten
zijzouden boeten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboet hebben
jijzou geboet hebben
hijzou geboet hebben
wijzouden geboet hebben
julliezouden geboet hebben
zijzouden geboet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboet

Verbs similar to 'boeten'

boeien, boeren, moeten, baten, beven, bieden, bijten, bloeden, bloeien, bomen,

Translations

  • expiate, to atone
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bekopen
    betalen
    betalen
    bekopen
    opdraaien
    betalen, dokken

    Sample Sentences

    • Hij zal boeten voor zijn misdaden. (He'll pay for his crimes.)

    Etymology

    From Middle Dutch boeten (“to improve”), from Old Dutch *buoten, from Proto-West Germanic *bōtijan, from Proto-Germanic *bōtijaną. See: Middle Dutch 'boeten', Proto-Germanic '*bōtijaną'.

    Verbs referencing "boeten"

    Danish bøde, Low Saxon böten.

    Additional Information