blakeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blakeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blakeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blakerend
Past participle - Verleden deelwoord: geblakerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblaker
jijblakert
hijblakert
wijblakeren
jullieblakeren
zijblakeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblakerd
jijhebt geblakerd
hijheeft geblakerd
wijhebben geblakerd
julliehebben geblakerd
zijhebben geblakerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblakerde
jijblakerde
hijblakerde
wijblakerden
jullieblakerden
zijblakerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblakerd
jijhad geblakerd
hijhad geblakerd
wijhadden geblakerd
julliehadden geblakerd
zijhadden geblakerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blakeren
jijzult blakeren
hijzal blakeren
wijzullen blakeren
julliezullen blakeren
zijzullen blakeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblakerd hebben
jijzult geblakerd hebben
hijzal geblakerd hebben
wijzullen geblakerd hebben
julliezullen geblakerd hebben
zijzullen geblakerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blakeren
jijzou blakeren
hijzou blakeren
wijzouden blakeren
julliezouden blakeren
zijzouden blakeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblakerd hebben
jijzou geblakerd hebben
hijzou geblakerd hebben
wijzouden geblakerd hebben
julliezouden geblakerd hebben
zijzouden geblakerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblaker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From blaken + -eren.

Additional Information