bekeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bekeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bekeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bekerend
Past participle - Verleden deelwoord: bekeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbekeer
jijbekeert
hijbekeert
wijbekeren
julliebekeren
zijbekeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bekeerd
jijhebt bekeerd
hijheeft bekeerd
wijhebben bekeerd
julliehebben bekeerd
zijhebben bekeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbekeerde
jijbekeerde
hijbekeerde
wijbekeerden
julliebekeerden
zijbekeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bekeerd
jijhad bekeerd
hijhad bekeerd
wijhadden bekeerd
julliehadden bekeerd
zijhadden bekeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bekeren
jijzult bekeren
hijzal bekeren
wijzullen bekeren
julliezullen bekeren
zijzullen bekeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bekeerd hebben
jijzult bekeerd hebben
hijzal bekeerd hebben
wijzullen bekeerd hebben
julliezullen bekeerd hebben
zijzullen bekeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bekeren
jijzou bekeren
hijzou bekeren
wijzouden bekeren
julliezouden bekeren
zijzouden bekeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bekeerd hebben
jijzou bekeerd hebben
hijzou bekeerd hebben
wijzouden bekeerd hebben
julliezouden bekeerd hebben
zijzouden bekeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbekeer

Translations

  • convert, undergo a conversion of religion, faith or belief
  • proselyte, proselytize
  • proselytize, convert to one’s own faith
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kerstenen
    dopen
    omturnen
    veranderen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch bekeren, from Old Dutch bekeren. Equivalent to be- + keren.

    Additional Information