Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bezwijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezwijkend
Past participle - Verleden deelwoord: bezweken
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bezwijk |
| jij | bezwijkt |
| hij | bezwijkt |
| wij | bezwijken |
| jullie | bezwijken |
| zij | bezwijken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bezweken |
| jij | hebt bezweken |
| hij | heeft bezweken |
| wij | hebben bezweken |
| jullie | hebben bezweken |
| zij | hebben bezweken |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bezweek |
| jij | bezweek |
| hij | bezweek |
| wij | bezweken |
| jullie | bezweken |
| zij | bezweken |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bezweken |
| jij | had bezweken |
| hij | had bezweken |
| wij | hadden bezweken |
| jullie | hadden bezweken |
| zij | hadden bezweken |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bezwijken |
| jij | zult bezwijken |
| hij | zal bezwijken |
| wij | zullen bezwijken |
| jullie | zullen bezwijken |
| zij | zullen bezwijken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bezweken hebben |
| jij | zult bezweken hebben |
| hij | zal bezweken hebben |
| wij | zullen bezweken hebben |
| jullie | zullen bezweken hebben |
| zij | zullen bezweken hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bezwijken |
| jij | zou bezwijken |
| hij | zou bezwijken |
| wij | zouden bezwijken |
| jullie | zouden bezwijken |
| zij | zouden bezwijken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bezweken hebben |
| jij | zou bezweken hebben |
| hij | zou bezweken hebben |
| wij | zouden bezweken hebben |
| jullie | zouden bezweken hebben |
| zij | zouden bezweken hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bezwijken'
aaneenrijgen,
aanglijden,
aankijken,
aanrijden,
aanrijgen,
aanschrijden,
aansnijden,
aanstijgen,
aanstrijken,
achternarijden,
achteromkijken,
achteruitrijden,
afkijken,
afkrijgen,
afrijden,
afrijgen,
afsnijden,
afstijgen,
afwijken,
begrijpen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bezwijken'
bekijken,
bewijzen,
afwijken,
bedrijven,
bedwingen,
begrijpen,
belijden,
benijden,
bereiken,
betwisten,
Translations
Sample Sentences
-
[...] den wal te zwemmen, en het land te verkennen; maar weldra hoorden wij zulk een verschrikkelijk gebrul, gehuil en geblaf van wilde dieren, welke, was ons onbekend, dat de arme knaap schier van vrees bezweek en mij bezwoer niet vóór den dag aan land te gaan.
(Robinson Crusoe)
-
[...] neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier bezwijken.
(Robinson Crusoe)
-
Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] op eenigen afstand aan weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren; en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken of zien zou, en daar mijne [...]
(Robinson Crusoe)
-
Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het even hoog noodig had als [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik hen naar het strand zag gaan, verbeeldde ik mij, gelijk het waarlijk was, dat zij hunne nasporingen hadden opgegeven, en terug wilden keeren, en de kapitein wien ik mijn vermoeden mededeelde, bezweek schier van angst. Ik had echter thans eene krijgslist bedacht om hen terug te lokken, die mij volmaakt gelukte. Ik gelastte Vrijdag en den stuurman, de kleine kreek westwaarts, waar de wilden met [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch beswiken (“to leave, travel, faint”), from Old Dutch biswīcan (“to deceive, seduce”), from Proto-West Germanic *biswīkwan. Equivalent to be- + zwijken.
Verbs referencing "bezwijken"
Old English
swican, Middle English
beswiken.
Additional Information