besmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of besmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: besmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: besmerend
Past participle - Verleden deelwoord: besmeerd

Cognates

See the 2 cognates of besmeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbesmeer
jijbesmeert
hijbesmeert
wijbesmeren
julliebesmeren
zijbesmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb besmeerd
jijhebt besmeerd
hijheeft besmeerd
wijhebben besmeerd
julliehebben besmeerd
zijhebben besmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbesmeerde
jijbesmeerde
hijbesmeerde
wijbesmeerden
julliebesmeerden
zijbesmeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad besmeerd
jijhad besmeerd
hijhad besmeerd
wijhadden besmeerd
julliehadden besmeerd
zijhadden besmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal besmeren
jijzult besmeren
hijzal besmeren
wijzullen besmeren
julliezullen besmeren
zijzullen besmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal besmeerd hebben
jijzult besmeerd hebben
hijzal besmeerd hebben
wijzullen besmeerd hebben
julliezullen besmeerd hebben
zijzullen besmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou besmeren
jijzou besmeren
hijzou besmeren
wijzouden besmeren
julliezouden besmeren
zijzouden besmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou besmeerd hebben
jijzou besmeerd hebben
hijzou besmeerd hebben
wijzouden besmeerd hebben
julliezouden besmeerd hebben
zijzouden besmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbesmeer

Translations

  • daub, to apply something in hasty or crude strokes
  • spread, to smear, distribute in a thin layer
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch besmeren, from Old Dutch *bismiren, *bismirwen, from Proto-West Germanic *bismirwijan. Equivalent to be- + smeren. Cognate with German beschmieren and English besmear. A variant Hollandic form gave rise to besmeuren. See: German, old spelling 'beschmieren', English 'besmear'.

    Verbs referencing "besmeren"

    English besmear, German, old spelling beschmieren.

    Additional Information