beredeneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beredeneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beredeneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beredenerend
Past participle - Verleden deelwoord: beredeneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikberedeneer
jijberedeneert
hijberedeneert
wijberedeneren
jullieberedeneren
zijberedeneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beredeneerd
jijhebt beredeneerd
hijheeft beredeneerd
wijhebben beredeneerd
julliehebben beredeneerd
zijhebben beredeneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikberedeneerde
jijberedeneerde
hijberedeneerde
wijberedeneerden
jullieberedeneerden
zijberedeneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beredeneerd
jijhad beredeneerd
hijhad beredeneerd
wijhadden beredeneerd
julliehadden beredeneerd
zijhadden beredeneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beredeneren
jijzult beredeneren
hijzal beredeneren
wijzullen beredeneren
julliezullen beredeneren
zijzullen beredeneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beredeneerd hebben
jijzult beredeneerd hebben
hijzal beredeneerd hebben
wijzullen beredeneerd hebben
julliezullen beredeneerd hebben
zijzullen beredeneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beredeneren
jijzou beredeneren
hijzou beredeneren
wijzouden beredeneren
julliezouden beredeneren
zijzouden beredeneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beredeneerd hebben
jijzou beredeneerd hebben
hijzou beredeneerd hebben
wijzouden beredeneerd hebben
julliezouden beredeneerd hebben
zijzouden beredeneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijberedeneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + redeneren.

Additional Information