Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: belemmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belemmerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebelemmerd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | belemmer |
| jij | belemmert |
| hij | belemmert |
| wij | belemmeren |
| jullie | belemmeren |
| zij | belemmeren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gebelemmerd |
| jij | hebt gebelemmerd |
| hij | heeft gebelemmerd |
| wij | hebben gebelemmerd |
| jullie | hebben gebelemmerd |
| zij | hebben gebelemmerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | belemmerde |
| jij | belemmerde |
| hij | belemmerde |
| wij | belemmerden |
| jullie | belemmerden |
| zij | belemmerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gebelemmerd |
| jij | had gebelemmerd |
| hij | had gebelemmerd |
| wij | hadden gebelemmerd |
| jullie | hadden gebelemmerd |
| zij | hadden gebelemmerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal belemmeren |
| jij | zult belemmeren |
| hij | zal belemmeren |
| wij | zullen belemmeren |
| jullie | zullen belemmeren |
| zij | zullen belemmeren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gebelemmerd hebben |
| jij | zult gebelemmerd hebben |
| hij | zal gebelemmerd hebben |
| wij | zullen gebelemmerd hebben |
| jullie | zullen gebelemmerd hebben |
| zij | zullen gebelemmerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou belemmeren |
| jij | zou belemmeren |
| hij | zou belemmeren |
| wij | zouden belemmeren |
| jullie | zouden belemmeren |
| zij | zouden belemmeren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gebelemmerd hebben |
| jij | zou gebelemmerd hebben |
| hij | zou gebelemmerd hebben |
| wij | zouden gebelemmerd hebben |
| jullie | zouden gebelemmerd hebben |
| zij | zouden gebelemmerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'belemmeren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'belemmeren'
belommeren,
bejammeren,
bekommeren,
belegeren,
betimmeren,
lemmeren,
belasteren,
belazeren,
beleren,
beloeren,
Translations
stymie, to thwart or stump
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- afremmen
- afschermen, bemoeilijken, dwarsbomen, hinderen, obstrueren, remmen, saboteren, storen, tegenstreven, tegenwerken, verhinderen, versperren
Sample Sentences
-
[...] voor ' s hands vrij goed gekleed was, en niet weinig in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er misschien meer behoefte aan had dan hij.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch belemmeren. Equivalent to belemmen + -eren. Compare German belämmert.
Verbs referencing "belemmeren"
Swedish
belamra, Danish
belemre.
Additional Information