belemmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belemmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belemmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belemmerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebelemmerd

Cognates

See the 3 cognates of belemmeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbelemmer
jijbelemmert
hijbelemmert
wijbelemmeren
julliebelemmeren
zijbelemmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebelemmerd
jijhebt gebelemmerd
hijheeft gebelemmerd
wijhebben gebelemmerd
julliehebben gebelemmerd
zijhebben gebelemmerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelemmerde
jijbelemmerde
hijbelemmerde
wijbelemmerden
julliebelemmerden
zijbelemmerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebelemmerd
jijhad gebelemmerd
hijhad gebelemmerd
wijhadden gebelemmerd
julliehadden gebelemmerd
zijhadden gebelemmerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belemmeren
jijzult belemmeren
hijzal belemmeren
wijzullen belemmeren
julliezullen belemmeren
zijzullen belemmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebelemmerd hebben
jijzult gebelemmerd hebben
hijzal gebelemmerd hebben
wijzullen gebelemmerd hebben
julliezullen gebelemmerd hebben
zijzullen gebelemmerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belemmeren
jijzou belemmeren
hijzou belemmeren
wijzouden belemmeren
julliezouden belemmeren
zijzouden belemmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebelemmerd hebben
jijzou gebelemmerd hebben
hijzou gebelemmerd hebben
wijzouden gebelemmerd hebben
julliezouden gebelemmerd hebben
zijzouden gebelemmerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbelemmer

Translations

  • stymie, to thwart or stump
  • Sample Sentences

    • [...] voor ' s hands vrij goed gekleed was, en niet weinig in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen. (Robinson Crusoe)
    • [...] bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er misschien meer behoefte aan had dan hij. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch belemmeren. Equivalent to belemmen + -eren. Compare German belämmert.

    Verbs referencing "belemmeren"

    Swedish belamra, Danish belemre.

    Additional Information