bedonderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bedonderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bedonderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bedonderend
Past participle - Verleden deelwoord: bedonderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbedonder
jijbedondert
hijbedondert
wijbedonderen
julliebedonderen
zijbedonderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bedonderd
jijhebt bedonderd
hijheeft bedonderd
wijhebben bedonderd
julliehebben bedonderd
zijhebben bedonderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbedonderde
jijbedonderde
hijbedonderde
wijbedonderden
julliebedonderden
zijbedonderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bedonderd
jijhad bedonderd
hijhad bedonderd
wijhadden bedonderd
julliehadden bedonderd
zijhadden bedonderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bedonderen
jijzult bedonderen
hijzal bedonderen
wijzullen bedonderen
julliezullen bedonderen
zijzullen bedonderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bedonderd hebben
jijzult bedonderd hebben
hijzal bedonderd hebben
wijzullen bedonderd hebben
julliezullen bedonderd hebben
zijzullen bedonderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bedonderen
jijzou bedonderen
hijzou bedonderen
wijzouden bedonderen
julliezouden bedonderen
zijzouden bedonderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bedonderd hebben
jijzou bedonderd hebben
hijzou bedonderd hebben
wijzouden bedonderd hebben
julliezouden bedonderd hebben
zijzouden bedonderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbedonder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + donderen.

Additional Information