arabiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of arabiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: arabiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: arabiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gearabiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikarabiseer
jijarabiseert
hijarabiseert
wijarabiseren
julliearabiseren
zijarabiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gearabiseerd
jijhebt gearabiseerd
hijheeft gearabiseerd
wijhebben gearabiseerd
julliehebben gearabiseerd
zijhebben gearabiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikarabiseerde
jijarabiseerde
hijarabiseerde
wijarabiseerden
julliearabiseerden
zijarabiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gearabiseerd
jijhad gearabiseerd
hijhad gearabiseerd
wijhadden gearabiseerd
julliehadden gearabiseerd
zijhadden gearabiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal arabiseren
jijzult arabiseren
hijzal arabiseren
wijzullen arabiseren
julliezullen arabiseren
zijzullen arabiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gearabiseerd hebben
jijzult gearabiseerd hebben
hijzal gearabiseerd hebben
wijzullen gearabiseerd hebben
julliezullen gearabiseerd hebben
zijzullen gearabiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou arabiseren
jijzou arabiseren
hijzou arabiseren
wijzouden arabiseren
julliezouden arabiseren
zijzouden arabiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gearabiseerd hebben
jijzou gearabiseerd hebben
hijzou gearabiseerd hebben
wijzouden gearabiseerd hebben
julliezouden gearabiseerd hebben
zijzouden gearabiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijarabiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information