aderiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aderiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aderiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aderiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geaderiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaderiseer
jijaderiseert
hijaderiseert
wijaderiseren
jullieaderiseren
zijaderiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaderiseerd
jijhebt geaderiseerd
hijheeft geaderiseerd
wijhebben geaderiseerd
julliehebben geaderiseerd
zijhebben geaderiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaderiseerde
jijaderiseerde
hijaderiseerde
wijaderiseerden
jullieaderiseerden
zijaderiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaderiseerd
jijhad geaderiseerd
hijhad geaderiseerd
wijhadden geaderiseerd
julliehadden geaderiseerd
zijhadden geaderiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aderiseren
jijzult aderiseren
hijzal aderiseren
wijzullen aderiseren
julliezullen aderiseren
zijzullen aderiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaderiseerd hebben
jijzult geaderiseerd hebben
hijzal geaderiseerd hebben
wijzullen geaderiseerd hebben
julliezullen geaderiseerd hebben
zijzullen geaderiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aderiseren
jijzou aderiseren
hijzou aderiseren
wijzouden aderiseren
julliezouden aderiseren
zijzouden aderiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaderiseerd hebben
jijzou geaderiseerd hebben
hijzou geaderiseerd hebben
wijzouden geaderiseerd hebben
julliezouden geaderiseerd hebben
zijzouden geaderiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaderiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information