amortiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of amortiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: amortiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: amortiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geamortiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikamortiseer
jijamortiseert
hijamortiseert
wijamortiseren
jullieamortiseren
zijamortiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geamortiseerd
jijhebt geamortiseerd
hijheeft geamortiseerd
wijhebben geamortiseerd
julliehebben geamortiseerd
zijhebben geamortiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikamortiseerde
jijamortiseerde
hijamortiseerde
wijamortiseerden
jullieamortiseerden
zijamortiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geamortiseerd
jijhad geamortiseerd
hijhad geamortiseerd
wijhadden geamortiseerd
julliehadden geamortiseerd
zijhadden geamortiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal amortiseren
jijzult amortiseren
hijzal amortiseren
wijzullen amortiseren
julliezullen amortiseren
zijzullen amortiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geamortiseerd hebben
jijzult geamortiseerd hebben
hijzal geamortiseerd hebben
wijzullen geamortiseerd hebben
julliezullen geamortiseerd hebben
zijzullen geamortiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou amortiseren
jijzou amortiseren
hijzou amortiseren
wijzouden amortiseren
julliezouden amortiseren
zijzouden amortiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geamortiseerd hebben
jijzou geamortiseerd hebben
hijzou geamortiseerd hebben
wijzouden geamortiseerd hebben
julliezouden geamortiseerd hebben
zijzouden geamortiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijamortiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Old French amortir (via the stem amortiss-).

Additional Information