afwenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afwenden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afwenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afwendend
Past participle - Verleden deelwoord: afgewend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwend af
jijwendt af
hijwendt af
wijwenden af
julliewenden af
zijwenden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgewend
jijhebt afgewend
hijheeft afgewend
wijhebben afgewend
julliehebben afgewend
zijhebben afgewend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwendde af
jijwendde af
hijwendde af
wijwendden af
julliewendden af
zijwendden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgewend
jijhad afgewend
hijhad afgewend
wijhadden afgewend
julliehadden afgewend
zijhadden afgewend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afwenden
jijzult afwenden
hijzal afwenden
wijzullen afwenden
julliezullen afwenden
zijzullen afwenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgewend hebben
jijzult afgewend hebben
hijzal afgewend hebben
wijzullen afgewend hebben
julliezullen afgewend hebben
zijzullen afgewend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afwenden
jijzou afwenden
hijzou afwenden
wijzouden afwenden
julliezouden afwenden
zijzouden afwenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgewend hebben
jijzou afgewend hebben
hijzou afgewend hebben
wijzouden afgewend hebben
julliezouden afgewend hebben
zijzouden afgewend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwend af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afkeren
omdraaien
afslaan
afweren, bezweren, verhinderen, verijdelen, voorkomen

Sample Sentences

  • Het onheil werd door haar toedoen afgewend. (The misfortune was prevented through her efforts.)

Etymology

From Middle Dutch afwenden. Equivalent to af + wenden.

Additional Information