Infinitive - Onbepaalde wijs: aanboorden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanboordend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeboord
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | boord aan |
| jij | boordt aan |
| hij | boordt aan |
| wij | boorden aan |
| jullie | boorden aan |
| zij | boorden aan |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aangeboord |
| jij | hebt aangeboord |
| hij | heeft aangeboord |
| wij | hebben aangeboord |
| jullie | hebben aangeboord |
| zij | hebben aangeboord |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | boordde aan |
| jij | boordde aan |
| hij | boordde aan |
| wij | boordden aan |
| jullie | boordden aan |
| zij | boordden aan |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aangeboord |
| jij | had aangeboord |
| hij | had aangeboord |
| wij | hadden aangeboord |
| jullie | hadden aangeboord |
| zij | hadden aangeboord |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aanboorden |
| jij | zult aanboorden |
| hij | zal aanboorden |
| wij | zullen aanboorden |
| jullie | zullen aanboorden |
| zij | zullen aanboorden |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangeboord hebben |
| jij | zult aangeboord hebben |
| hij | zal aangeboord hebben |
| wij | zullen aangeboord hebben |
| jullie | zullen aangeboord hebben |
| zij | zullen aangeboord hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aanboorden |
| jij | zou aanboorden |
| hij | zou aanboorden |
| wij | zouden aanboorden |
| jullie | zouden aanboorden |
| zij | zouden aanboorden |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangeboord hebben |
| jij | zou aangeboord hebben |
| hij | zou aangeboord hebben |
| wij | zouden aangeboord hebben |
| jullie | zouden aangeboord hebben |
| zij | zouden aangeboord hebben |
| jij | boord aan |