afmelden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afmelden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afmelden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afmeldend
Past participle - Verleden deelwoord: afgemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmeld af
jijmeldt af
hijmeldt af
wijmelden af
julliemelden af
zijmelden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgemeld
jijhebt afgemeld
hijheeft afgemeld
wijhebben afgemeld
julliehebben afgemeld
zijhebben afgemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmeldde af
jijmeldde af
hijmeldde af
wijmeldden af
julliemeldden af
zijmeldden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgemeld
jijhad afgemeld
hijhad afgemeld
wijhadden afgemeld
julliehadden afgemeld
zijhadden afgemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afmelden
jijzult afmelden
hijzal afmelden
wijzullen afmelden
julliezullen afmelden
zijzullen afmelden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgemeld hebben
jijzult afgemeld hebben
hijzal afgemeld hebben
wijzullen afgemeld hebben
julliezullen afgemeld hebben
zijzullen afgemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afmelden
jijzou afmelden
hijzou afmelden
wijzouden afmelden
julliezouden afmelden
zijzouden afmelden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgemeld hebben
jijzou afgemeld hebben
hijzou afgemeld hebben
wijzouden afgemeld hebben
julliezouden afgemeld hebben
zijzouden afgemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmeld af

Translations

  • unsubscribe, to cancel a subscription
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + melden.

    Additional Information