afrukken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afrukken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afrukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afrukkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgerukt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikruk af
jijrukt af
hijrukt af
wijrukken af
jullierukken af
zijrukken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgerukt
jijhebt afgerukt
hijheeft afgerukt
wijhebben afgerukt
julliehebben afgerukt
zijhebben afgerukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrukte af
jijrukte af
hijrukte af
wijrukten af
jullierukten af
zijrukten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgerukt
jijhad afgerukt
hijhad afgerukt
wijhadden afgerukt
julliehadden afgerukt
zijhadden afgerukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afrukken
jijzult afrukken
hijzal afrukken
wijzullen afrukken
julliezullen afrukken
zijzullen afrukken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgerukt hebben
jijzult afgerukt hebben
hijzal afgerukt hebben
wijzullen afgerukt hebben
julliezullen afgerukt hebben
zijzullen afgerukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afrukken
jijzou afrukken
hijzou afrukken
wijzouden afrukken
julliezouden afrukken
zijzouden afrukken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgerukt hebben
jijzou afgerukt hebben
hijzou afgerukt hebben
wijzouden afgerukt hebben
julliezouden afgerukt hebben
zijzouden afgerukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijruk af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afscheuren
wegrukken
aftrekken
optellen

Sample Sentences

  • [...] het voorschip, dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd, en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans bij laag water naar toe kon [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From af + rukken.

Additional Information