afproeven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afproeven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afproeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afproevend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeproefd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikproef af
jijproeft af
hijproeft af
wijproeven af
jullieproeven af
zijproeven af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeproefd
jijhebt afgeproefd
hijheeft afgeproefd
wijhebben afgeproefd
julliehebben afgeproefd
zijhebben afgeproefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikproefde af
jijproefde af
hijproefde af
wijproefden af
jullieproefden af
zijproefden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeproefd
jijhad afgeproefd
hijhad afgeproefd
wijhadden afgeproefd
julliehadden afgeproefd
zijhadden afgeproefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afproeven
jijzult afproeven
hijzal afproeven
wijzullen afproeven
julliezullen afproeven
zijzullen afproeven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeproefd hebben
jijzult afgeproefd hebben
hijzal afgeproefd hebben
wijzullen afgeproefd hebben
julliezullen afgeproefd hebben
zijzullen afgeproefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afproeven
jijzou afproeven
hijzou afproeven
wijzouden afproeven
julliezouden afproeven
zijzouden afproeven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeproefd hebben
jijzou afgeproefd hebben
hijzou afgeproefd hebben
wijzouden afgeproefd hebben
julliezouden afgeproefd hebben
zijzouden afgeproefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijproef af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information