afgraven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afgraven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afgraven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afgravend
Past participle - Verleden deelwoord: afgegraven

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgraaf af
jijgraaft af
hijgraaft af
wijgraven af
julliegraven af
zijgraven af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgegraven
jijhebt afgegraven
hijheeft afgegraven
wijhebben afgegraven
julliehebben afgegraven
zijhebben afgegraven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgroef af
jijgroef af
hijgroef af
wijgroeven af
julliegroeven af
zijgroeven af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgegraven
jijhad afgegraven
hijhad afgegraven
wijhadden afgegraven
julliehadden afgegraven
zijhadden afgegraven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afgraven
jijzult afgraven
hijzal afgraven
wijzullen afgraven
julliezullen afgraven
zijzullen afgraven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgegraven hebben
jijzult afgegraven hebben
hijzal afgegraven hebben
wijzullen afgegraven hebben
julliezullen afgegraven hebben
zijzullen afgegraven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afgraven
jijzou afgraven
hijzou afgraven
wijzouden afgraven
julliezouden afgraven
zijzouden afgraven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgegraven hebben
jijzou afgegraven hebben
hijzou afgegraven hebben
wijzouden afgegraven hebben
julliezouden afgegraven hebben
zijzouden afgegraven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgraaf af

Verbs conjugated like 'afgraven'

afgraven, begraven, graven, opgraven,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of af + graven. Compare German abgraben. See: German, old spelling 'abgraben'.

Verbs referencing "afgraven"

German, old spelling abgraben.

Additional Information