adjectiveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of adjectiveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: adjectiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: adjectiverend
Past participle - Verleden deelwoord: geadjectiveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikadjectiveer
jijadjectiveert
hijadjectiveert
wijadjectiveren
jullieadjectiveren
zijadjectiveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geadjectiveerd
jijhebt geadjectiveerd
hijheeft geadjectiveerd
wijhebben geadjectiveerd
julliehebben geadjectiveerd
zijhebben geadjectiveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikadjectiveerde
jijadjectiveerde
hijadjectiveerde
wijadjectiveerden
jullieadjectiveerden
zijadjectiveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geadjectiveerd
jijhad geadjectiveerd
hijhad geadjectiveerd
wijhadden geadjectiveerd
julliehadden geadjectiveerd
zijhadden geadjectiveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal adjectiveren
jijzult adjectiveren
hijzal adjectiveren
wijzullen adjectiveren
julliezullen adjectiveren
zijzullen adjectiveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geadjectiveerd hebben
jijzult geadjectiveerd hebben
hijzal geadjectiveerd hebben
wijzullen geadjectiveerd hebben
julliezullen geadjectiveerd hebben
zijzullen geadjectiveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou adjectiveren
jijzou adjectiveren
hijzou adjectiveren
wijzouden adjectiveren
julliezouden adjectiveren
zijzouden adjectiveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geadjectiveerd hebben
jijzou geadjectiveerd hebben
hijzou geadjectiveerd hebben
wijzouden geadjectiveerd hebben
julliezouden geadjectiveerd hebben
zijzouden geadjectiveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijadjectiveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information