decatiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of decatiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: decatiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: decatiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gedecatiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdecatiseer
jijdecatiseert
hijdecatiseert
wijdecatiseren
julliedecatiseren
zijdecatiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedecatiseerd
jijhebt gedecatiseerd
hijheeft gedecatiseerd
wijhebben gedecatiseerd
julliehebben gedecatiseerd
zijhebben gedecatiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdecatiseerde
jijdecatiseerde
hijdecatiseerde
wijdecatiseerden
julliedecatiseerden
zijdecatiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedecatiseerd
jijhad gedecatiseerd
hijhad gedecatiseerd
wijhadden gedecatiseerd
julliehadden gedecatiseerd
zijhadden gedecatiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal decatiseren
jijzult decatiseren
hijzal decatiseren
wijzullen decatiseren
julliezullen decatiseren
zijzullen decatiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedecatiseerd hebben
jijzult gedecatiseerd hebben
hijzal gedecatiseerd hebben
wijzullen gedecatiseerd hebben
julliezullen gedecatiseerd hebben
zijzullen gedecatiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou decatiseren
jijzou decatiseren
hijzou decatiseren
wijzouden decatiseren
julliezouden decatiseren
zijzouden decatiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedecatiseerd hebben
jijzou gedecatiseerd hebben
hijzou gedecatiseerd hebben
wijzouden gedecatiseerd hebben
julliezouden gedecatiseerd hebben
zijzouden gedecatiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdecatiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information