accuseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of accuseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: accuseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: accuserend
Past participle - Verleden deelwoord: geaccuseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaccuseer
jijaccuseert
hijaccuseert
wijaccuseren
jullieaccuseren
zijaccuseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaccuseerd
jijhebt geaccuseerd
hijheeft geaccuseerd
wijhebben geaccuseerd
julliehebben geaccuseerd
zijhebben geaccuseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaccuseerde
jijaccuseerde
hijaccuseerde
wijaccuseerden
jullieaccuseerden
zijaccuseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaccuseerd
jijhad geaccuseerd
hijhad geaccuseerd
wijhadden geaccuseerd
julliehadden geaccuseerd
zijhadden geaccuseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal accuseren
jijzult accuseren
hijzal accuseren
wijzullen accuseren
julliezullen accuseren
zijzullen accuseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaccuseerd hebben
jijzult geaccuseerd hebben
hijzal geaccuseerd hebben
wijzullen geaccuseerd hebben
julliezullen geaccuseerd hebben
zijzullen geaccuseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou accuseren
jijzou accuseren
hijzou accuseren
wijzouden accuseren
julliezouden accuseren
zijzouden accuseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaccuseerd hebben
jijzou geaccuseerd hebben
hijzou geaccuseerd hebben
wijzouden geaccuseerd hebben
julliezouden geaccuseerd hebben
zijzouden geaccuseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaccuseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information