accrocheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of accrocheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: accrocheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: accrocherend
Past participle - Verleden deelwoord: geaccrocheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaccrocheer
jijaccrocheert
hijaccrocheert
wijaccrocheren
jullieaccrocheren
zijaccrocheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaccrocheerd
jijhebt geaccrocheerd
hijheeft geaccrocheerd
wijhebben geaccrocheerd
julliehebben geaccrocheerd
zijhebben geaccrocheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaccrocheerde
jijaccrocheerde
hijaccrocheerde
wijaccrocheerden
jullieaccrocheerden
zijaccrocheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaccrocheerd
jijhad geaccrocheerd
hijhad geaccrocheerd
wijhadden geaccrocheerd
julliehadden geaccrocheerd
zijhadden geaccrocheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal accrocheren
jijzult accrocheren
hijzal accrocheren
wijzullen accrocheren
julliezullen accrocheren
zijzullen accrocheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaccrocheerd hebben
jijzult geaccrocheerd hebben
hijzal geaccrocheerd hebben
wijzullen geaccrocheerd hebben
julliezullen geaccrocheerd hebben
zijzullen geaccrocheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou accrocheren
jijzou accrocheren
hijzou accrocheren
wijzouden accrocheren
julliezouden accrocheren
zijzouden accrocheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaccrocheerd hebben
jijzou geaccrocheerd hebben
hijzou geaccrocheerd hebben
wijzouden geaccrocheerd hebben
julliezouden geaccrocheerd hebben
zijzouden geaccrocheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaccrocheer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information