accentueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of accentueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: accentueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: accentuerend
Past participle - Verleden deelwoord: geaccentueerd

Cognates

See the 4 cognates of accentueren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaccentueer
jijaccentueert
hijaccentueert
wijaccentueren
jullieaccentueren
zijaccentueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaccentueerd
jijhebt geaccentueerd
hijheeft geaccentueerd
wijhebben geaccentueerd
julliehebben geaccentueerd
zijhebben geaccentueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaccentueerde
jijaccentueerde
hijaccentueerde
wijaccentueerden
jullieaccentueerden
zijaccentueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaccentueerd
jijhad geaccentueerd
hijhad geaccentueerd
wijhadden geaccentueerd
julliehadden geaccentueerd
zijhadden geaccentueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal accentueren
jijzult accentueren
hijzal accentueren
wijzullen accentueren
julliezullen accentueren
zijzullen accentueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaccentueerd hebben
jijzult geaccentueerd hebben
hijzal geaccentueerd hebben
wijzullen geaccentueerd hebben
julliezullen geaccentueerd hebben
zijzullen geaccentueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou accentueren
jijzou accentueren
hijzou accentueren
wijzouden accentueren
julliezouden accentueren
zijzouden accentueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaccentueerd hebben
jijzou geaccentueerd hebben
hijzou geaccentueerd hebben
wijzouden geaccentueerd hebben
julliezouden geaccentueerd hebben
zijzouden geaccentueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaccentueer

Translations

  • accent, to emphasize
  • accentuate, to pronounce with an accent
  • underscore, to emphasize
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French accentuer.

    Verbs referencing "accentueren"

    Danish accentuere.

    Additional Information