accapareren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of accapareren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: accapareren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: accaparerend
Past participle - Verleden deelwoord: geaccapareerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaccapareer
jijaccapareert
hijaccapareert
wijaccapareren
jullieaccapareren
zijaccapareren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaccapareerd
jijhebt geaccapareerd
hijheeft geaccapareerd
wijhebben geaccapareerd
julliehebben geaccapareerd
zijhebben geaccapareerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaccapareerde
jijaccapareerde
hijaccapareerde
wijaccapareerden
jullieaccapareerden
zijaccapareerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaccapareerd
jijhad geaccapareerd
hijhad geaccapareerd
wijhadden geaccapareerd
julliehadden geaccapareerd
zijhadden geaccapareerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal accapareren
jijzult accapareren
hijzal accapareren
wijzullen accapareren
julliezullen accapareren
zijzullen accapareren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaccapareerd hebben
jijzult geaccapareerd hebben
hijzal geaccapareerd hebben
wijzullen geaccapareerd hebben
julliezullen geaccapareerd hebben
zijzullen geaccapareerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou accapareren
jijzou accapareren
hijzou accapareren
wijzouden accapareren
julliezouden accapareren
zijzouden accapareren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaccapareerd hebben
jijzou geaccapareerd hebben
hijzou geaccapareerd hebben
wijzouden geaccapareerd hebben
julliezouden geaccapareerd hebben
zijzouden geaccapareerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaccapareer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French accaparer. See: French 'accaparer'.

Additional Information