aandringen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aandringen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aandringen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aandringend
Past participle - Verleden deelwoord: aangedrongen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdring aan
jijdringt aan
hijdringt aan
wijdringen aan
julliedringen aan
zijdringen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangedrongen
jijhebt aangedrongen
hijheeft aangedrongen
wijhebben aangedrongen
julliehebben aangedrongen
zijhebben aangedrongen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdrong aan
jijdrong aan
hijdrong aan
wijdrongen aan
julliedrongen aan
zijdrongen aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangedrongen
jijhad aangedrongen
hijhad aangedrongen
wijhadden aangedrongen
julliehadden aangedrongen
zijhadden aangedrongen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aandringen
jijzult aandringen
hijzal aandringen
wijzullen aandringen
julliezullen aandringen
zijzullen aandringen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangedrongen hebben
jijzult aangedrongen hebben
hijzal aangedrongen hebben
wijzullen aangedrongen hebben
julliezullen aangedrongen hebben
zijzullen aangedrongen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aandringen
jijzou aandringen
hijzou aandringen
wijzouden aandringen
julliezouden aandringen
zijzouden aandringen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangedrongen hebben
jijzou aangedrongen hebben
hijzou aangedrongen hebben
wijzouden aangedrongen hebben
julliezouden aangedrongen hebben
zijzouden aangedrongen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdring aan

Translations

  • insist, to hold up a claim emphatically
  • urge, to present in an urgent manner
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch aendringen. Equivalent to aan + dringen.

    Additional Information