aandragen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aandragen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aandragen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aandragend
Past participle - Verleden deelwoord: aangedragen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdraag aan
jijdraagt aan
hijdraagt aan
wijdragen aan
julliedragen aan
zijdragen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangedragen
jijhebt aangedragen
hijheeft aangedragen
wijhebben aangedragen
julliehebben aangedragen
zijhebben aangedragen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdroeg aan
jijdroeg aan
hijdroeg aan
wijdroegen aan
julliedroegen aan
zijdroegen aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangedragen
jijhad aangedragen
hijhad aangedragen
wijhadden aangedragen
julliehadden aangedragen
zijhadden aangedragen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aandragen
jijzult aandragen
hijzal aandragen
wijzullen aandragen
julliezullen aandragen
zijzullen aandragen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangedragen hebben
jijzult aangedragen hebben
hijzal aangedragen hebben
wijzullen aangedragen hebben
julliezullen aangedragen hebben
zijzullen aangedragen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aandragen
jijzou aandragen
hijzou aandragen
wijzouden aandragen
julliezouden aandragen
zijzouden aandragen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangedragen hebben
jijzou aangedragen hebben
hijzou aangedragen hebben
wijzouden aangedragen hebben
julliezouden aangedragen hebben
zijzouden aangedragen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdraag aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

noemen
opperen, voorstellen

Sample Sentences

Etymology

From aan + dragen.

Additional Information