aanbloeden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanbloeden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanbloeden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanbloedend
Past participle - Verleden deelwoord: aangebloed

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbloed aan
jijbloedt aan
hijbloedt aan
wijbloeden aan
julliebloeden aan
zijbloeden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangebloed
jijhebt aangebloed
hijheeft aangebloed
wijhebben aangebloed
julliehebben aangebloed
zijhebben aangebloed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbloedde aan
jijbloedde aan
hijbloedde aan
wijbloedden aan
julliebloedden aan
zijbloedden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangebloed
jijhad aangebloed
hijhad aangebloed
wijhadden aangebloed
julliehadden aangebloed
zijhadden aangebloed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanbloeden
jijzult aanbloeden
hijzal aanbloeden
wijzullen aanbloeden
julliezullen aanbloeden
zijzullen aanbloeden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangebloed hebben
jijzult aangebloed hebben
hijzal aangebloed hebben
wijzullen aangebloed hebben
julliezullen aangebloed hebben
zijzullen aangebloed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanbloeden
jijzou aanbloeden
hijzou aanbloeden
wijzouden aanbloeden
julliezouden aanbloeden
zijzouden aanbloeden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangebloed hebben
jijzou aangebloed hebben
hijzou aangebloed hebben
wijzouden aangebloed hebben
julliezouden aangebloed hebben
zijzouden aangebloed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbloed aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information