Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: tellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tellend
Past participle - Verleden deelwoord: geteld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | tel |
| jij | telt |
| hij | telt |
| wij | tellen |
| jullie | tellen |
| zij | tellen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geteld |
| jij | hebt geteld |
| hij | heeft geteld |
| wij | hebben geteld |
| jullie | hebben geteld |
| zij | hebben geteld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | telde |
| jij | telde |
| hij | telde |
| wij | telden |
| jullie | telden |
| zij | telden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geteld |
| jij | had geteld |
| hij | had geteld |
| wij | hadden geteld |
| jullie | hadden geteld |
| zij | hadden geteld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal tellen |
| jij | zult tellen |
| hij | zal tellen |
| wij | zullen tellen |
| jullie | zullen tellen |
| zij | zullen tellen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geteld hebben |
| jij | zult geteld hebben |
| hij | zal geteld hebben |
| wij | zullen geteld hebben |
| jullie | zullen geteld hebben |
| zij | zullen geteld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou tellen |
| jij | zou tellen |
| hij | zou tellen |
| wij | zouden tellen |
| jullie | zouden tellen |
| zij | zouden tellen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geteld hebben |
| jij | zou geteld hebben |
| hij | zou geteld hebben |
| wij | zouden geteld hebben |
| jullie | zouden geteld hebben |
| zij | zouden geteld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'tellen'
aanballen,
aanbellen,
aanbollen,
aanbrullen,
aaneenwellen,
aanleggen,
aanrollen,
aanschellen,
aanstellen,
aantellen,
aantillen,
aanvollen,
aanvullen,
aanwellen,
aanwennen,
achternahollen,
achterstellen,
afbellen,
afgillen,
afhollen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'tellen'
bellen,
hellen,
lellen,
pellen,
stellen,
telen,
tillen,
vellen,
aftellen,
delen,
Translations
count, to enumerate or determine number
Sample Sentences
-
Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp mij [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] twintig mannen, twee vrouwen en een kind hadden gegeten. Hij kon in het Engelsch niet tot twintig tellen, maar hij wees het mij door zooveel steentjes naast elkander te leggen en mij die te laten tellen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] eenige warmte bijvoegde: " Wij redden die blanke menschen van verdrinken ! " Ik vroeg dadelijk of er eenige blanken in de boot waren geweest.—"Ja de boot vol, " zeide hij. Ik vroeg, hoeveel ? Hij telde op zijne vingers tot zeventien. Op mijne vraag wat er van hen geworden was, zeide hij: " Zij leven, zij wonen bij mijn volk. "
(Robinson Crusoe)
Etymology
1. From Middle Dutch tellen, from Old Dutch tellen, from Proto-West Germanic *talljan, from Proto-Germanic *taljaną.
2. Equivalent to tal (“number”) + -en (“denominative”) or taal (“language”) + -en (“denominative”) and shows the effect of historical umlaut. See: Proto-Germanic '
*taljaną'.
Verbs referencing "tellen"
English
tell, Afrikaans
tel, Low Saxon tellen, Luxembourgish
zielen, Sranan
teri, German, Pennsylvania
zaehle.
Additional Information