hellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hellend
Past participle - Verleden deelwoord: geheld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhel
jijhelt
hijhelt
wijhellen
julliehellen
zijhellen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geheld
jijhebt geheld
hijheeft geheld
wijhebben geheld
julliehebben geheld
zijhebben geheld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhelde
jijhelde
hijhelde
wijhelden
julliehelden
zijhelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geheld
jijhad geheld
hijhad geheld
wijhadden geheld
julliehadden geheld
zijhadden geheld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hellen
jijzult hellen
hijzal hellen
wijzullen hellen
julliezullen hellen
zijzullen hellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geheld hebben
jijzult geheld hebben
hijzal geheld hebben
wijzullen geheld hebben
julliezullen geheld hebben
zijzullen geheld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hellen
jijzou hellen
hijzou hellen
wijzouden hellen
julliezouden hellen
zijzouden hellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geheld hebben
jijzou geheld hebben
hijzou geheld hebben
wijzouden geheld hebben
julliezouden geheld hebben
zijzouden geheld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhel

Translations

  • heel, incline
  • incline, incline
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    overhangen
    overhellen
    aflopen
    glooien, neigen, zwemen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch helden. The loss of the d occurred by reanalysis of the past tense form helde as consisting of hel-de rather than held-de. See: Middle Dutch 'helden'.

    Verbs referencing "hellen"

    English hield.

    Additional Information