schoonmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schoonmaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schoonmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schoonmakend
Past participle - Verleden deelwoord: schoongemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak schoon
jijmaakt schoon
hijmaakt schoon
wijmaken schoon
julliemaken schoon
zijmaken schoon

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb schoongemaakt
jijhebt schoongemaakt
hijheeft schoongemaakt
wijhebben schoongemaakt
julliehebben schoongemaakt
zijhebben schoongemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte schoon
jijmaakte schoon
hijmaakte schoon
wijmaakten schoon
julliemaakten schoon
zijmaakten schoon

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad schoongemaakt
jijhad schoongemaakt
hijhad schoongemaakt
wijhadden schoongemaakt
julliehadden schoongemaakt
zijhadden schoongemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schoonmaken
jijzult schoonmaken
hijzal schoonmaken
wijzullen schoonmaken
julliezullen schoonmaken
zijzullen schoonmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal schoongemaakt hebben
jijzult schoongemaakt hebben
hijzal schoongemaakt hebben
wijzullen schoongemaakt hebben
julliezullen schoongemaakt hebben
zijzullen schoongemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schoonmaken
jijzou schoonmaken
hijzou schoonmaken
wijzouden schoonmaken
julliezouden schoonmaken
zijzouden schoonmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou schoongemaakt hebben
jijzou schoongemaakt hebben
hijzou schoongemaakt hebben
wijzouden schoongemaakt hebben
julliezouden schoongemaakt hebben
zijzouden schoongemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak schoon

Translations

  • clean, (transitive) to remove dirt from a place or object
  • clean, (intransitive) to make things clean
  • cleanse, to clean, purify
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afnemen
    afspoelen, poetsen, schrobben, spoelen, stoffen, vegen, wassen, zuigen

    Sample Sentences

    • Vandaag maakt Stefan zijn huis schoon. (Today, Stefan is cleaning his house.)

    Etymology

    From Middle Dutch schoonmaken, equivalent to schoon (“clean”) + maken (“to make”).

    Additional Information