rijten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rijten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rijten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rijtend
Past participle - Verleden deelwoord: gereten

Cognates

See the 2 cognates of rijten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrijt
jijrijt
hijrijt
wijrijten
jullierijten
zijrijten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereten
jijhebt gereten
hijheeft gereten
wijhebben gereten
julliehebben gereten
zijhebben gereten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreet
jijreet
hijreet
wijreten
julliereten
zijreten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereten
jijhad gereten
hijhad gereten
wijhadden gereten
julliehadden gereten
zijhadden gereten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rijten
jijzult rijten
hijzal rijten
wijzullen rijten
julliezullen rijten
zijzullen rijten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereten hebben
jijzult gereten hebben
hijzal gereten hebben
wijzullen gereten hebben
julliezullen gereten hebben
zijzullen gereten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rijten
jijzou rijten
hijzou rijten
wijzouden rijten
julliezouden rijten
zijzouden rijten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereten hebben
jijzou gereten hebben
hijzou gereten hebben
wijzouden gereten hebben
julliezouden gereten hebben
zijzouden gereten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrijt

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

scheuren
losrukken, rukken

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch riten, from Old Dutch *rītan, from Proto-West Germanic *hrītan, from Proto-Germanic *hrītaną. See: Middle Dutch 'riten', Proto-Germanic '*hrītaną'.

Verbs referencing "rijten"

German, old spelling reißen, Luxembourgish räissen.

Additional Information