krijten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of krijten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: krijten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: krijtend
Past participle - Verleden deelwoord: gekreten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkrijt
jijkrijt
hijkrijt
wijkrijten
julliekrijten
zijkrijten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekreten
jijhebt gekreten
hijheeft gekreten
wijhebben gekreten
julliehebben gekreten
zijhebben gekreten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkreet
jijkreet
hijkreet
wijkreten
julliekreten
zijkreten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekreten
jijhad gekreten
hijhad gekreten
wijhadden gekreten
julliehadden gekreten
zijhadden gekreten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal krijten
jijzult krijten
hijzal krijten
wijzullen krijten
julliezullen krijten
zijzullen krijten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekreten hebben
jijzult gekreten hebben
hijzal gekreten hebben
wijzullen gekreten hebben
julliezullen gekreten hebben
zijzullen gekreten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou krijten
jijzou krijten
hijzou krijten
wijzouden krijten
julliezouden krijten
zijzouden krijten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekreten hebben
jijzou gekreten hebben
hijzou gekreten hebben
wijzouden gekreten hebben
julliezouden gekreten hebben
zijzouden gekreten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkrijt

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

blèren
gillen, huilen, janken

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch criten (“to cry”), from Old Dutch *crītan, from Proto-West Germanic *krītan, from Proto-Germanic *krītaną (“to shout”), from Proto-Indo-European *greyd- (“to shout”). See: Middle Dutch 'criten', Proto-Germanic '*krītaną'.

Additional Information