plomberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of plomberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: plomberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plomberend
Past participle - Verleden deelwoord: geplombeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplombeer
jijplombeert
hijplombeert
wijplomberen
jullieplomberen
zijplomberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplombeerd
jijhebt geplombeerd
hijheeft geplombeerd
wijhebben geplombeerd
julliehebben geplombeerd
zijhebben geplombeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplombeerde
jijplombeerde
hijplombeerde
wijplombeerden
jullieplombeerden
zijplombeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplombeerd
jijhad geplombeerd
hijhad geplombeerd
wijhadden geplombeerd
julliehadden geplombeerd
zijhadden geplombeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal plomberen
jijzult plomberen
hijzal plomberen
wijzullen plomberen
julliezullen plomberen
zijzullen plomberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplombeerd hebben
jijzult geplombeerd hebben
hijzal geplombeerd hebben
wijzullen geplombeerd hebben
julliezullen geplombeerd hebben
zijzullen geplombeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou plomberen
jijzou plomberen
hijzou plomberen
wijzouden plomberen
julliezouden plomberen
zijzouden plomberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplombeerd hebben
jijzou geplombeerd hebben
hijzou geplombeerd hebben
wijzouden geplombeerd hebben
julliezouden geplombeerd hebben
zijzouden geplombeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplombeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information