dempen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dempen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dempen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dempend
Past participle - Verleden deelwoord: gedempt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdemp
jijdempt
hijdempt
wijdempen
julliedempen
zijdempen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedempt
jijhebt gedempt
hijheeft gedempt
wijhebben gedempt
julliehebben gedempt
zijhebben gedempt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdempte
jijdempte
hijdempte
wijdempten
julliedempten
zijdempten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedempt
jijhad gedempt
hijhad gedempt
wijhadden gedempt
julliehadden gedempt
zijhadden gedempt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dempen
jijzult dempen
hijzal dempen
wijzullen dempen
julliezullen dempen
zijzullen dempen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedempt hebben
jijzult gedempt hebben
hijzal gedempt hebben
wijzullen gedempt hebben
julliezullen gedempt hebben
zijzullen gedempt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dempen
jijzou dempen
hijzou dempen
wijzouden dempen
julliezouden dempen
zijzouden dempen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedempt hebben
jijzou gedempt hebben
hijzou gedempt hebben
wijzouden gedempt hebben
julliezouden gedempt hebben
zijzouden gedempt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdemp

Translations

  • muffle, To mute or deaden
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    dichtgooien
    dichtmaken, vullen
    afzwakken
    temperen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch dempen, from Old Dutch *dempen, from Proto-Germanic *dampijaną (“to cause to smoke/emit vapour”). See: Proto-Germanic '*dampijaną'.

    Additional Information