cureren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cureren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cureren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: curerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecureerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcureer
jijcureert
hijcureert
wijcureren
julliecureren
zijcureren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecureerd
jijhebt gecureerd
hijheeft gecureerd
wijhebben gecureerd
julliehebben gecureerd
zijhebben gecureerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcureerde
jijcureerde
hijcureerde
wijcureerden
julliecureerden
zijcureerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecureerd
jijhad gecureerd
hijhad gecureerd
wijhadden gecureerd
julliehadden gecureerd
zijhadden gecureerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cureren
jijzult cureren
hijzal cureren
wijzullen cureren
julliezullen cureren
zijzullen cureren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecureerd hebben
jijzult gecureerd hebben
hijzal gecureerd hebben
wijzullen gecureerd hebben
julliezullen gecureerd hebben
zijzullen gecureerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cureren
jijzou cureren
hijzou cureren
wijzouden cureren
julliezouden cureren
zijzouden cureren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecureerd hebben
jijzou gecureerd hebben
hijzou gecureerd hebben
wijzouden gecureerd hebben
julliezouden gecureerd hebben
zijzouden gecureerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcureer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information