jureren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jureren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jureren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jurerend
Past participle - Verleden deelwoord: gejureerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjureer
jijjureert
hijjureert
wijjureren
julliejureren
zijjureren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejureerd
jijhebt gejureerd
hijheeft gejureerd
wijhebben gejureerd
julliehebben gejureerd
zijhebben gejureerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjureerde
jijjureerde
hijjureerde
wijjureerden
julliejureerden
zijjureerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejureerd
jijhad gejureerd
hijhad gejureerd
wijhadden gejureerd
julliehadden gejureerd
zijhadden gejureerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jureren
jijzult jureren
hijzal jureren
wijzullen jureren
julliezullen jureren
zijzullen jureren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejureerd hebben
jijzult gejureerd hebben
hijzal gejureerd hebben
wijzullen gejureerd hebben
julliezullen gejureerd hebben
zijzullen gejureerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jureren
jijzou jureren
hijzou jureren
wijzouden jureren
julliezouden jureren
zijzouden jureren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejureerd hebben
jijzou gejureerd hebben
hijzou gejureerd hebben
wijzouden gejureerd hebben
julliezouden gejureerd hebben
zijzouden gejureerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjureer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information