coachen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of coachen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: coachen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: coachend
Past participle - Verleden deelwoord: gecoacht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcoach
jijcoacht
hijcoacht
wijcoachen
julliecoachen
zijcoachen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecoacht
jijhebt gecoacht
hijheeft gecoacht
wijhebben gecoacht
julliehebben gecoacht
zijhebben gecoacht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcoachte
jijcoachte
hijcoachte
wijcoachten
julliecoachten
zijcoachten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecoacht
jijhad gecoacht
hijhad gecoacht
wijhadden gecoacht
julliehadden gecoacht
zijhadden gecoacht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal coachen
jijzult coachen
hijzal coachen
wijzullen coachen
julliezullen coachen
zijzullen coachen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecoacht hebben
jijzult gecoacht hebben
hijzal gecoacht hebben
wijzullen gecoacht hebben
julliezullen gecoacht hebben
zijzullen gecoacht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou coachen
jijzou coachen
hijzou coachen
wijzouden coachen
julliezouden coachen
zijzouden coachen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecoacht hebben
jijzou gecoacht hebben
hijzou gecoacht hebben
wijzouden gecoacht hebben
julliezouden gecoacht hebben
zijzouden gecoacht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcoach

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

begeleiden
trainen

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English coach (verb). By surface analysis, coach (“coach, trainer”) + -en. See: English 'coach'.

Additional Information